Zaterdag in Carcès, deel 1

Tags

,

(Droomblogs in een coronacrisis).

Carcès à visiter (83) | Provence 7

Vannacht aangekomen na een goede rit uit Nederland. Koffers uitgepakt en om drie uur lagen we in bed. Het is nu even na achten en heel zachtjes stap ik uit bed. Ik ruik door de openstaande ramen achter de blauwe luiken Frankrijk.

Toen we vannacht bij Brignoles de snelweg afreden was het aardedonker. De vijftien kilometer naar ons huis deden we, zoals altijd, alle raampjes open. De geuren van de Var, het kruidige, het aardse in de lauwwarme lucht was weer heerlijk. Muziek: Destination Ailleurs van Yannick Noah bijvoorbeeld. Of Zaz. Of om mijn oude ziel te pleasen: Joe Dassin met L’Équipe a Jojo. Franse muziek, ’s nachts rijden.

Bochtje links het dorp in, rechts de Hypermarché, langs het bejaardenhuis, rechts beetje door onder de platanen, bruggetje over, en dan nog 737 meter naar Le Sommet, ons huis. Huisnummer 737.

Gelukkiger dan dat, wordt het zo’n nacht niet.

Maar goed, het is nu even na achten en ik sta onder de douche. En natuurlijk heb ik vannacht niet de knop omgezet dus ik moet koud douchen. Ben ik ook gelijk wakker. Na het douchen en scheren even de kelder in om de knop wel om te zetten. Ik kleed me aan, kijk even bij de zonen die in diepe slaap zijn, pak een tas en ga de deur uit.

De hemel is blauw. Het wordt een mooie dag. En alweer die geuren. Ik loop het hek uit en ik ga de berg af. Het is bijna twee kilometer naar het dorp en de wandeling naar beneden is altijd een makkie. Terug doe ik in Duits marstempo. Maar dat duurt nog een uur.

Eerst langs de buurman met de honderd honden. Nee, het zijn er geen honderd maar wel veel. Eerst zaten ze aan onze kant van zijn huis. Als ze blaften kwam hij naar buiten, hard schreeuwend. Pute, merde, con en iets dat op Mímí lijkt. Weet ik veel. Mijn vriend, de kunstenaar waarover later meer, zei al: hij werkt in de wijnbouw, ruige schreeuwerd maar verder ok. We zijn toch maar gaan praten en nu zitten zijn honden achter het huis en is het stil.

Het steilste stuk heb ik achter de rug als ik linksaf ga langs het huis van de dokter, Keutchayan. Ik heb me daar ooit gemeld met een ontsteking. Hij vroeg een en ander, keek en schreef een recept uit. Nu was ik die kleine receptenbriefjes uit Nederland gewend maar van hem kreeg ik twee A4’tjes! En bij de pharmacie kreeg ik alles netjes mee, tot aan hormooncrème toe.

Maar daar had ik het niet over. Ik loop dus langs het huis van de dokter. Een groot huis met een keurig aangelegde tuin en en voorname hond. Een aardig beest dat altijd verbaasd kijkt en nooit blaft.

Hoe anders is dat bij de volgende voisins: twee luid blaffende grote honden die geagiteerd achter het hek rondspringen. Zonder hek zaten ze al lang bovenop me. Ik ben er ooit gestopt en toen heb ik de beesten rustig toegesproken. Dat het zinloos was al dat geblaf en dat ik er niet van onder de indruk raakte. Een tweetal dagen zijn ze stil gebleven. En toen begon het weer.

Ik loop door.

Interessant is het dat ik op een deel van de route naar Santiago de Compostella loop. Dat zag ik eens bij toeval op een kaartje van de omgeving. Dat vind ik erg stoer. Ik loop dus al 18 jaar een kilometer van de route. Niet dagelijks maar toch zo’n 50 dagen per jaar. Heen en weer. Dat is toch 1800 kilometer. Een mooi resultaat.

Onderaan de berg wonen twee zussen. Oudere dames met wit haar. Beiden een eigen huis met een stuk grind ertussen. Ze doen heel veel samen. De oudste van de twee heeft een tijd in Engeland gewoond en oogt ook meer Brits dan Frans. We groeten elkaar, zoals altijd.

Ik kan nu kiezen. Ik neem de korte route langs de school, brug over de river en dan rechtsaf óf ik neem de langere, linksaf langs de camping, onder de platanen door. Ik ga links. De Caramy stroomt heel relaxed op deze mooie ochtend en als ik de Avenue Ferrandin oploop zie ik de platanen. Groot, scheefgegroeid, veel schaduw en koelte leverend. Prachtig zo zonder verkeer.

De bocht door langs Le Hameau de Carcès, een van de vele wijnproducenten in het dorp en de streek. Aan mijn linkerkant het hek van de lokale pizzaman, Les Chineurs. Patou en Seb zijn inmiddels semivrienden geworden. Grote kussen, goed plekkie om te eten en altijd, altijd vriendelijk. Seb had jaren geleden keelkanker. Behandeld, bestraald en weer aan het werk. Ik zie dat hij al in het restaurant is en ik loop even naar binnen. Hij is aangekomen, wat een goed teken is. Hij oogt ook weer sterk. Omhelzing, goed dat ik er weer ben en of ik vanavond kom eten. Lijkt me een goed plan en dus reserveer ik.

In de verte, aan het eind van Avenue Ferrandin zie ik de reden van deze vroege zaterdagse wandeling. Mijn persoonlijke plezier om in mijn eentje, met het geruis van twaalf uur rijden nog in mijn oren en de naweeën van kramp in mijn linkerkuit, vroeg op de staan en te wandelen. Mijn Frankrijk, mijn miniatuurgenoegen zonder weerga.

De zaterdagmarkt.

(word vervolgd)

Het eeuwige Frankrijk verandert (*)

Tags

, , ,

Afbeeldingsresultaat voor la france profonde carces

Enige jaren geleden verscheen een biografie van De Gaulle (van Henk Wesseling) met de mooie titel ‘De man die nee zei’. Ik kocht het boek direct en las het in één ruk uit. Dit ging niet alleen over De Gaulle maar over alle Fransen. Nee zeggen tegen heel veel.

Frankrijk is een land van heel veel tradities. Van heel grote tot heel kleine. Quatorze Juillet is altijd een groot feest en zal dat ook blijven. Niemand die het in zijn hoofd haalt iets te veranderen. Men koestert de tradities en heeft een afkeer van veranderingen. Zeker als die worden gevraagd vanuit Parijs, zoals nu door Macron. Frankrijk is zichzelf.

En dus kan ik nog steeds oefenen in zen in de supermarkt als er weer iemand betaalt met een cheque en niet met een carte bleu. Ik kan een petit blanc op het terras drinken zo om half elf in de ochtend maar als ik voor drie uur een pastis bestel is dat vloeken in de kerk. De post die nog steeds iedere dag wordt bezorgd, steak frites kan ik overal eten en zo kan ik nog heel lang doorgaan. En als er al vernieuwing dreigt gaat men staken omdat verandering altijd wordt gezien als verslechtering. En zo blijft La France Profonde geloven in een wereld die er niet meer is. 

Maar niet iedereen gelooft meer in het onveranderlijke. Jongeren trekken weg uit de dorpen en er zijn tegengeluiden en tegenbewegingen. En dan niet alleen geluiden in Parijs of Lyon. 

Ook in het klein is de oude manier van doen niet meer houdbaar. Het moet anders en dat gebeurt ook.

Neem het dorp Cotignac in de Var, niet ver van ons vandaan. Dat dorp was een jaar of vijftien geleden op sterven na dood. Het had alles: een mooie cours, schilderachtig onder de platanen en een relaxte sfeer. Toeristen kwamen er wel, maar gingen ook weer weg omdat er niets geburde. Bij de cafés aan het einde van de cours hingen jongeren die zich verveelden. Werk was schaars en zelfs de restaurants werden steeds minder ok.

Jonge mensen hebben daar verandering in gebracht. Op zeker moment gingen restaurants over in andere handen, er kwamen meer terrassen en die waren goed onderhouden. Het café waar je werd uitgescholden sloot en ook daar kwam iets anders. Er kwam een hippe wijnbar waar je buiten aan barretjes gezeten een soort tapas kon eten. Een goede wijn vestigde zich in het dorp met een heel mooie winkel erbij. 

Boven die wijnhandel werd een ‘museum’ geopend, niet groot wel mooi. In de straat naar de Mairie kwamen ateliers. Er vestigde zich een nieuwe artisanale bakker waar nu de rijen voor de deur staan. Er kwam een hotel met een mooi terras. Jonge mensen die initiatief namen om van dat mooie dorp iets mooiers te maken. Zeker, er was scepsis maar die is weg. De trots is terug.

Het ging niet vanzelf en er moest veel veranderen. Vooral mentaal. Toeristen zijn geen plaag maar een bron voor groei. Werken in de horeca is top als het druk is. Wijn verkoopt niet zichzelf maar moet je packagen in een concept. Gruwelijke woorden voor de man van middelbare leeftijd die na een borrel in zijn Lada Niva stapt en ‘bof’ roept. 

De oplettende Frankrijkganger ziet het land veranderen. Dat moet en dat is niet erg. Het zorgt ervoor dat jongeren hun idealen na kunnen jagen en Frankrijk interessant blijft. Juist de combinatie van traditie en veranderen maakt het spannend en mooi.

(*) Ook gepubliceerd in Côte & Provence, voorjaar 2020, p.35.

Le Boulanger

Tags

, ,

Op de foto staat, met kind op de arm, een van de twee boulangers van ons dorp in de Var. Zijn vrouw staat achter hem. Een hardwerkende man die iedere ochtend vroeg op is. De hele dag zorgt hij voor verse baguettes en andere lekkernijen. Zijn Tarte Tropézienne is onbehoorlijk lekker. Vooral met goede champagne erbij.

Iedere ochtend loop ik samen met Sam, mijn jongste zoon, zo’n anderhalve kilometer naar het dorp. Eerst de bakker, dan bij Bar Le Central koffie met een glas water voor mij en een glas Cacolac voor hem en als laatste een kaarsje branden in de Mariakapel van de kerk. Wij zijn gewoontedieren.

Althans, ik. Soms laat ik hem liggen als ik merk dat er geen behoefte is aan wandelen en Cacolac.

Dit doe ik dit jaar voor het achttiende jaar. In die jaren is de bakkerij van verschillende mensen geweest, maar deze zit er alweer lang.

Je zult zeggen: ‘ja en? Wat is er zo bijzonder hieraan?’ Dat zal ik vertellen

De boulanger is ook de plek waar men elkaar treft en een praatje maakt. Zo is er een mevrouw die altijd een taartje koopt voor zichzelf. Ze is alleen, ze woont in het dorp en ze houdt van taartjes. Geduldig wacht iedereen tot ze al haar munten bij elkaar heeft gevonden om te betalen. En er is een jonge vent die iedere dag een ficelle koopt. Een ander altijd ‘un restau’. Als de klanten binnenkomen ligt het als het ware al voor je klaar.

Zo kwam Charles Aznavour ook altijd bij de bakker. Op een oude sportfiets kwam hij aanrijden, heel langzaam, zette de fiets tegen de muur en kwam binnen om een baguette bronzé te kopen. En nee, het was niet Aznavour maar het had zijn broer kunnen zijn. Klein, zelfde mond, zachte stem en ogen vol leven. Met zijn brood stapte hij weer op de fiets en reed langzaam, licht slingerend weer weg. Naar huis. De man was oud en alleen, zo zei hij zelf.

Ik zag hem vaak in het dorp.

Tot vorige zomer. Iedereen kwam ik weer tegen. De pastoor, de truffelman, de artiest (waarvan ik overigens nooit iets artistieks heb meegemaakt) enzovoort. Maar niet Charles Aznavour.

Bij de bakker vroeg ik naar hem. Hij was eerder in het jaar overleden en het dorp was uitgelopen naar de kerk. Men miste hem want het was een vriendelijk mens. Maar wel oud.

En toen kwam de pointe. De ouden gaan dood en de jongeren verdwijnen uit het dorp. Dat was de verzuchtende conclusie. En zo is het ook. Charles staat model voor een ouder wordende bevolking van een klein dorp in de Var, in Frankrijk. De ouderen komen elkaar tegen bij de bakker en groeten elkaar. De jongeren vertrekken en masse naar Marseille, naar Aix, naar Lyon. De jongeren willen een diploma halen bij een goede school en zien een toekomst voor zich maar dan niet in het dorp. En langzaam dreigen de dorpen leeg te lopen.

De boulanger overigens was hoopvol. De jongeren komen op een dag terug. Dat moet wel. Want waar kun je brood vinden van deze kwaliteit, vroeg hij. Toch zeker niet in de stad. Dat is fabrieksbrood. Een schande.

Inmiddels ben ik ook 18 jaar ouder en moet ik toegeven dat het lekkerste brood toch gewoon te vinden is in de Rue Maréchal Foch.

De hel

Afbeeldingsresultaat voor foto's auschwitz

Het is alweer jaren geleden dat ik in Auschwitz was. Een hotel in Krakow, een geweldige stad. ’s Avonds wat eten op het grote plein, wat rondlopen en genieten van de stad en de relaxte sfeer. De volgende dag vroeg op en in de auto.

Het was een uurtje rijden meen ik me te herinneren en we kwamen aan in het stadje Oświęcim. Niet echt kleurrijk en we waren er ook zo doorheen. Het kamp konden we niet vinden en ik besloot aan iemand te vragen waar het was. ‘Dat is er niet meer’, was het antwoord. ‘Er is nu wel een museum, misschien bedoelt u dat?’ Terechtgewezen en de weg gewezen gingen we verder.

En zo liep ik voor het eerst van mijn leven de poort met het opschrift door, Auschwitz in. Het zag er keurig uit. Mooie gebouwen met een trapje ervoor. Aangeharkt. Als je niet wist wat de geschiedenis was zou je het zo een twee drie ook niet zien. We werden ingedeeld in een groepje en zetten een koptelefoon op. En daar gingen we. Stapje voor stapje de hel in.

Stapje voor stapje de hel in.

Ik kan me niet meer herinneren in welke volgorde en op welk moment ik alles zag maar de verschrikkingen vlogen me aan. Het gebouw met alle foto’s, de ruimten met haar, brillen, prothesen, koffers (waarvan sommige met ‘Kind’ erop geschreven en één met de familienaam ‘Fam. Komkommer’) eindeloos was het. Uiteindelijk kwam ik in een ruimte die geheel gewijd was aan de aankomst van de Hongaarse Joden in 1944. Veel foto’s, heel veel foto’s. Mannen, vrouwen, kinderen. Je weet wat hun lot zou zijn.

En opeens hangt er een foto van mijn zoon, Samuel Tibor. Hij kijkt me aan vanuit een ander heelal met zijn grote bruine ogen. Zijn brede deels Hongaarse hoofd met grote donkere nieuwsgierige ogen. Op dat moment brak ik in stukken.

De rest van de dag heb ik in een waas door Auschwitz 1 en Birkenau gelopen. Uren aaneen. Ik heb op het perron gestaan, door de velden met de overblijfselen van de barakken gelopen. Ik heb stil mijn adem ingehouden in de gaskamer. De verbrandingsovens. Uur na uur.

Aan het einde van de dag in de auto terug naar Krakow. Hotel in, omgekleed en de stad in. Daar hebben we op een terras zwijgend heel veel bier gedronken en Poolse worst gegeten. En ik hou niet eens van bier.

En nu, jaren later, is het 75 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Er zijn volop boeken verschenen, films op tv, tijdschriften. Ik heb er geen van gelezen of gezien. Ik word zo onrustig van de herinneringen aan die dag. En ik word zo boos als ik nu mensen achteloos over de holocaust hoor praten of die zelfs ontkennen. Het is ook dichtbij.

Twee ontkwamen

Het is dichtbij omdat mijn vader in 1944 op transport zou gaan naar Buchenwald. Tag der Abreise was 18.4.44. Hij was één van tenminste 180 mannen die vanuit Kamp Amersfoort zouden vertrekken. Hij had al enige tijd in het kamp doorgebracht en het was blijkbaar tijd om te gaan. Hij was nummer 177, na 176 Koopman, Arnold en voor 178 Kosterman, L. Daags voor het transport heeft de toenmalige directeur van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht (SAZU) een verzoek tot overplaatsing naar het SAZU ingediend bij Lagerkommandant Berg. De directeur kende mijn vader en wilde hem redden.

Zo gebeurde ook. Besloten werd dat mijn vader niet op transport zou gaan en hij werd eind mei 1944 ‘entlassen’. De naam van mijn vader is met een rood potlood doorgehaald. Op dezelfde lijst staat nog een naam rood doorgehaald, 164, Ketelaar, Reinder. Die ontkwam dus ook. Wat er van de anderen is geworden, ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik dit schrijf doordat de naam van mijn vader met een rood potlood is doorgestreept.

Mijn jeugd in stilte over de oorlog, de foto van een jongen die lijkt op mijn jongste zoon, een doorgestreepte naam, een dag in Auschwitz, herinneringen aan mijn vader: ik leef ermee en het vormt mijn oordeel over de huidige tijd en welke ressentimenten er zoal leven.

Daardoor ben ik extra kritisch op huidige rechtse praat. Op ophemelen van onze Germaanse Noordse cultuur, over het afgeven op anderen. Nationalisme dat altijd een voorbode is van vernietiging. Ik kan niet anders.

En als mensen zich afvragen wat zij gedaan zouden hebben in de oorlog, kun je altijd de vraag stellen ‘wat doe je nu?’. Ik ben dat verplicht aan mijn vader, me iedere dag afvragen ‘wat doe ik nu’.

Hij deed in ieder geval het juiste.

De dood van Kees

Kees ken ik sinds 1998, het jaar dat wij in Zeist kwamen wonen. Kees was altijd aanwezig bij de slager en vanaf het allereerste moment klikte het tussen ons. Kees was altijd een beetje brommerig en in dat gebrom zat een heel klein hartje met hier en daar wat verlangen naar vroeger.

Met Kees maakte ik altijd een praatje over Zeist, dat ik nog niet goed kende en over lekker eten. Jarenlang kwam ik iedere zaterdag en ik werd het liefst geholpen door Kees.

De echte band kwam toen ik vader werd en Kees dat wist. Vanaf dat moment gaf hij altijd een ‘stukkie worst voor het jochie’ mee, en later voor beide jochies. De worst was (runder)kookworst. De jochies thuis noemden het altijd Keesworst. Ik vertelde het hem en hij vond het top en was ook wat ontroerd. ‘Zonder Keesworst is het weekend niet compleet’ vertelde ik hem.

Kees wist altijd wat ik wilde als ik zaterdagochtend vroeg kwam. ‘Jongens sporten?’, en dan het vaste riedeltje. Rosbief voor mijn vrouw, zult en leverkaas voor mij en een bakje Duitse vleessalade. ‘Aus der Heimat’ zei hij er altijd bij.

Hij hield van fietsen, zijn gezin en familie en hij hield van liefdevol mopperen. Op de wereld en waar het naar toe gaat. Over van alles maar uiteindelijk altijd positief en met heel veel hartelijkheid.

De jongens ontgroeiden de Keesworst maar hij bleef het meegeven. Voor mij dan.

En nu is Kees dood.

Ik hoorde het van vrienden en bij de supermarkt kwam ik een collega van Kees tegen die het beaamde. Ik kom al een tijdje niet meer bij de slager. Veranderende eetgewoonten en ik had het gevoel meubilair te worden. Ligt aan mij en niet aan de slager want die is fantastisch. En wat heb ik er spijt van want wat had ik graag nog tegen Kees in willen gaan. Terugmopperen. Zeggen dat we allemaal ouder worden en dat de wereld nu eenmaal verandert. Dat het niet anders is. Een stuk Keesworst meenemen voor ’s middags thuis op brood met veel mosterd.

Nooit meer Keesworst. Ik baal daarvan. En de rest van mijn leven zal ik aan Kees denken als ik kookworst eet. Dat dan weer wel.

Winter in de Var

Tags

,

Afbeeldingsresultaat voor carces en hiver

Lang, lang geleden zei mijn beste vriend: ‘wanneer je ook in Frankrijk bent, er is altijd iets open, je kunt er altijd eten en drinken en het is altijd gezellig’. Dat was voor ik met mijn vrouw 20 jaar geleden op kastelentocht in de Loire ging in november. Ik had een lijstje gemaakt van alle kasteelhotels en daar gingen we. We hebben heel wat hekken gezien vanaf de buitenkant, heel wat dorpen waar echt alles dicht was en heel veel verlaten D-wegen bereden. Uiteindelijk ben ik naar Tours gereden en daar bij het station een hotel geboekt. Tenslotte is er bij een station ook altijd een hotel. Het bed was brak zoals dat kan in Frankrijk, maar de stad verwelkomde ons.

Ik moest denken aan de woorden van mijn vriend toen wij enige jaren geleden besloten in de winter af te reizen naar ons huis in de Var. Ik wist natuurlijk al dat alles weer opengaat in mei en zo’n beetje oktober weer sluit. Dat het altijd wat rustiger en ingetogener wordt. Dat is ook het mooie van oktober. De rust, het mooie weer, L’été Indien en het ontbreken van toeristen.

Dus wij in de kerstvakantie, kinderen op de achterbank, op naar Carcès. De eerste dagen laafden we ons aan de rust. De kinderen waren nog klein en vermaakten zich volkomen met gamen en televisie kijken. Het was koud maar de open haard deed het prima. Op zondag besloot ik nog even boodschappen te doen. Ik naar de Mousquetaires maar die was gesloten, de gehele zondag. Dan maar uit eten. Geen restaurant was open in het dorp. Nabij in Cotignac was er één restaurant open, een prima pizzeria.

Daags erop begon het te sneeuwen en ik moet zeggen, dat is wel prachtig. Het dal zo wit te zien, de rust die er over het land komt. Alles was prachtig. En glad. De berg afrijden was een ding maar we besloten toch even naar Lorgues te gaan. Ook daar heerste diepe rust want ook daar bleek alles dicht te zijn. En zo ging het door. Mijn moedertje zaliger zou gezegd hebben ‘het is dichtgeplakt met ouwe kranten’.

De vakantie duurde korter dan gepland. Ik hield mijn familie niet meer gemotiveerd om te blijven. Je moet ook wel een sterk gestel hebben om in diepe rust en stilte je leven te slijten op een berg met als enige afleiding het uitzicht. Ik kan dat. De rest kon het niet.

Hoezeer ik het ook mis, gewoon de stilte opzoeken van een dorp in coma en heerlijk lezen en uitrusten, ik heb inmiddels niet meer de neiging in de winter naar de Var te gaan. In Les Trois Vallées kun je tenminste nog skiën. Dus doet mijn familie dat. En ik kijk dan vanaf mijn balkon naar het zuiden en weet dat een paar honderd kilometer verderop ons huis is. Op ons wachtend tot maart, april.

Noodweer in de Var

Tags

,

Afbeeldingsresultaat voor noodweer var

De afgelopen week: enorme regenval in de Var. Ik kom daar zo op terug. Eerst even een korte terugblik.

In oktober was het noodweer in de Var. Op een dag viel er meer dan 50mm regen en dat was te merken ook. De hele dag somber en bewolkt, wolken die bleven hangen tussen de bergen en aan een stuk door regen. En opeens hield het op met zachtjes regenen, zoals mijn moedertje altijd zei. Snel alle luiken dichtgedaan toen ik merkte dat de regen alle vloeren nat maakte. Het was avond en het werd steeds erger.

In de verte, in de bergen in het noorden, hoorden we onweer. Ook dat bleef hangen en ongeveer een uur lang donderde het dat het een lieve lust was. Sommigen vinden dat heel romantisch maar dat heb ik in het geheel niet. De avonden zonder licht zijn talrijk en het wachten op elektra daarna is inmiddels legendarisch in het mooie Frankrijk. Onweer en veel regen leveren altijd stress op.

We hadden dit jaar gelukkig wat slechte bomen laten kappen dus dat zat wel goed. En toch was er een verrassing. Mijn jongste zoon werd wakker van gekletter en geklater en we bleken een enorme lekkage te hebben. In een dikke straal kwam het water naar binnen. Emmer na emmer.

Het werd een onrustige nacht.

De volgende dag het dak geïnspecteerd. En toen bleek dat de keer dat er een studio aangebouwd is, er niet geheel conform bouwvoorschriften was gewerkt om het maar netjes te zeggen. Een dakgootafvoer was ergens gewoon afgezaagd en er zat geen pijp aan vast. De lokale aannemer was dat vergeten. Daardoor liep al het water op een klein dak dat dat niet kon verwerken. Als je Frankrijk gewend bent dan hadden we dit eerder moeten of kunnen opmerken, maar ja. Dat was dus pas na een natte nacht.

En nu vorige week. In twee dagen is 250mm regen gevallen. Er zijn doden gevallen in Le Muy en Cabasse (bijna om de hoek). Straten stonden blank, auto’s spoelden weg en de regen bleef maar duren.

En ik zat in Nederland te kijken naar het nieuws.

Dat voelt niet goed, kan ik zeggen. In oktober kon ik direct ingrijpen en de hulptroepen inroepen. Nu had ik geen idee. In deze tijd van het jaar is er niemand in het huis. Hoe is het met het huis. Hoe is het met de buren, het dorp? André die beneden woont aan de Argens, hoe is het met hem? De rivier stond in oktober al heel hoog, en nu?

Allemaal vragen die je op afstand krijgt. En natuurlijk, voor de mensen ter plekke is de narigheid veel groter. Je moet er niet aan denken dat jouw huis onder water staat, dat jouw auto wegdrijft, dat jouw winkel helemaal onder staat. De wijnboeren die de bauxietgrond over de weg zien wegstromen. De mensen die daar wonen kunnen geen kant op. En voor mij is het een luxeprobleem.

Maar toch: een huis in de Var is soms een lastig bezit.

Cassis, meer dan een drankje

Tags

,

Beter dan dit ging het niet worden in de Var: regen, regen en nog eens regen. Anders dan andere jaren, 22ºC en een loom zonnetje, was het een natte oktober. Zelfs de markt op zaterdag in ons dorp was gekrompen tot 5 standjes: twee keer kip, twee keer groenten en één keer kaas. Het was niet best. Maar een goede maaltijd kon je wel bij elkaar kopen.

De dagen dreigden zich aaneen te rijgen van binnenzitten, wat wandelen, nat worden en heel veel lezen. En lekker eten en drinken natuurlijk. Niet voldoende om een gezin met opgroeiende pubers rustig te houden. Hoewel de enorme lekkage die we hadden na een bui van 55mm regen wel voor afleiding zorgde, ook voor de pubers.

En wat doe je dan? Dan kijk je gewoon waar het niet regent, en dat was aan de kust, iets voorbij Toulon richting Marseille, en je stapt in je auto. We togen naar Cassis. Honderd keer aan gedacht maar nooit eerder naar toe geweest. Een mooie rit die steeds mooier werd qua landschap. Meanderende wegen en uiteindelijk Cassis, een echt Zuid-Frans kuststadje.

Cassis is niet groot, althans het is veel kleiner dan ik dacht dat het zou zijn. Maar: het was droog! Onder een grijze dreigende hemel lag daar de zee en het stadje gaf kleur aan een grauwe dag. Wat een lekker stadje is dit.

Wat winkeltjes, niet te veel, en vooral een lekkere boulevard met veel restaurants en cafe’s. Een relaxte sfeer en leuk volk. Geen opgefokte zomersfeer maar het gemoedelijke van het najaar na een zomer keihard buffelen. De baai ingesloten tussen wat bergen waarachter de calanques lagen. Als je de pier helemaal afloopt richting de vuurtoren ruik en voel je de zee. Je kijkt om en je ziet het stadje liggen. Rustiek, kleurrijk, Frans.

Heerlijk gegeten en gedronken, nog wat gewandeld en toen door naar de calanques die ongeveer om de hoek liggen. En dat is echt een aanrader om te doen. Dat maakt je bezoek aan Cassis volkomen compleet.

Hoe een druilerige korte vakantie kan leiden tot mooie ontdekkingen. En toch: volgende keer ga ik weer voor een warme Été Indien in de Var.

Marseille, fijne ruige stad

Tags

, ,

Met Marseille heb ik altijd een haat-liefde-verhouding gehad. Heel lang geleden ben ik in een buitenwijk beland doordat ik verkeerd reed. Het was nog voor de navigatieapparatuur en ik draaide ergens een weg in waar ik niet moest zijn. Jong en naïef reed ik door tot ik voelde dat de Goede Geest niet meer aanwezig was. Er gebeurde niets en toch voelde ik dat ik hier niet thuishoorde. Later heb ik in de haven nog lekker gegeten en zag ik de twee kanten van Marseille.

Een paar jaar geleden heb ik de Netflix-serie Marseille gezien. Een prachtige en prachtig gemaakte serie. Politiek gekonkel en gemarchandeer en vooral ook de achterkant van de stad. Duister, donker, onheilspellend. Mooi. Aantrekkelijk. In een aantal afleveringen geeft de serie alle kanten van de stad weer.

En precies zo is Marseille.

Intussen ga ik graag naar Marseille. De buitenwijken laat ik links liggen maar dat doe ik bij vrijwel iedere stad. Dat heeft niets te maken met (vermeende) criminaliteit. Ze zijn voor mij gewoonweg niet interessant.

Vanuit ons dorp in de Var is het een uurtje rijden en na een paar keer weet je waar je wel en ook waar je niet naar toe moet. De stad binnenkomen vind ik altijd leuk en druk. Alle tunnels, de racende auto’s en scooters, alle mensen, al die verschillende nationaliteiten, de terminal waar de boten aankomen, de chaos en de schoonheid. Je voelt dat je in een echte stad bent en ook nog eens een havenstad. Parkeren doe ik altijd achter de haven.

De trap op, de garage uit en van de stad genieten. Er hangt een soort loomheid die heel Zuid Frans is en tegelijkertijd raast het verkeer voorbij. Wat je dus snel moet doen is die drukte achter je laten en bijvoorbeeld Le Panier inlopen. Hier, achter de oude haven, is het rustig en heel erg provençaals. Smalle straatjes, winkeltjes, barretjes, restaurants. Er hangt een wat alternatieve kunstzinnige sfeer die heel relaxed is. Ga wat eten op een van de terrasjes en luister naar de stad. Het geroezemoes van de mensen.

Als je van kunst houdt ga dan vooral ook naar La Vieille Charité, prachtig gebouwd en mooie tentoonstellingen. En als je echt van kunst houdt ga dan vooral naar Mucem. Misschien qua collectie niet het interessantste museum, maar wat is het mooi zo aan de monding van de Middellandse Zee. Een prachtgebouw.

Eten in de oude haven is ook altijd top maar wel een tikkie toeristisch.

Marseille dus, verrassend, oud en druk. Het is een stad die je niet zomaar omarmt maar waar je langzaam mee bekend raakt.

En zeker ook op je gemak raakt.