Teams! Leuk! Teams!

Tags

,

0730-0830 douchen, ontbijt, 7 espressi

0830-0900 laptops openklappen, inloggen, diep zuchten, voorbereiden op heel veel teams

0900-0930 teams

0930-1130 teams

1130-1230 teams

1230-1256 schreeuwen en hapje eten

1300-1400 teams

1400-1415 geen teams

1430-1530 teams

1530-1630 teams

1630-1700 teams

1715 belletje over verloop teams van 1300

1745 conclusies en acties nav belletje over verloop teams van 1300

1800 mail, geen teams

1830 voorbereiden teams morgen om 0800

1845 koken

Februari 2022, week 82

Tags

Dinsdag 15 februari.

Vandaag de geboortedag van mijn vader. 101 zou hij nu zijn. Ik ben blij dat hij dit allemaal niet meemaakt. De winter gaat flink tekeer. Gisteravond is het gaan sneeuwen en het sneeuwt nog steeds. In een paar dagen tijd is er bijna dertig centimeter gevallen. Vannacht was het -13ºC. Ik kan me nog herinneren dat het jaren geleden zo koud was op wintersport in Les Ménuires. Wintersport, hoe lang ben ik er al niet geweest. Maar koud is het wel.

Woensdag 16 februari.

Vandaag wat hout naar binnen gehaald. De open haard draait overuren. Ik ben best trots op het feit dat ik een ombouw heb gemaakt met een warmtewisselaar zodat we toch gewoon kunnen douchen. De jongens zijn er blij mee. Ik weet nog dat we van het gas af moesten vorig jaar zonder dat ik direct een alternatief had. Geprobeerd zonnepanelen aan te schaffen maar er was schaarste. We staan op de wachtlijst dus ze komen wel maar geen idee wanneer. Dan maar zo. De jongens kunnen gewoon douchen en het huis is warm. De oudste had het zich wel anders voorgesteld ooit: studeren in Eindhoven, maar ze wonen beiden nog steeds thuis. Waarom zouden ze ook weg willen? Alle colleges nog steeds on line en mijn eten is top. En ik vind het top, iedereen dichtbij.

Donderdag 17 februari.

Gisteravond de persconferentie. Rutte deed het weer goed. Na de verkiezingen van vorig jaar is er een rust over de politiek gekomen. De vier doen het goed samen. En de rest van de partijen heeft het nauwelijks gered. Milieu bleek niet echt nog meer een item te zijn omdat de lucht schoon was en we na de ramp in Rusland sowieso van het gas af moesten. En alle extremistische partijen zijn gereduceerd tot splinters. Was ik erg blij mee. Gewoon ouderwetse partijen die gedegen politiek willen bedrijven. Ik had al niks met die politieke toeristen.

Maar het blijkt ook dat er nog steeds nieuwe gevallen zijn. Volgens mij is de gemiddelde leeftijd in Nederland flink gedaald maar dat weet ik niet eens zeker. Ik volg de cijfers al lang niet meer. De IC’s zijn en blijven op sterkte en dat is goed. Vorig jaar ging het allemaal best prima tot iedereen weer ging reizen. Wij niet, althans niet ver. Frankrijk was weer top maar we mochten nauwelijks het huis uit. Wel boodschappen en dan weer snel terug. Maar met elkaar lekker eten en drinken en spelletjes doen was lekker. 1300 kilometer in de auto was wel een gedoe, vooral onderweg. Om de beurt naar de plee langs de poortjes met UV. Na mei vorig jaar zijn we gewoon niet meer weg geweest.

Dat iedereen weer ging vliegen heeft ons de das omgedaan. Met alle toeristen die terugkwamen uit de VS en Afrika waren we weer terug op het niveau van november 2020. Dat was dikke shit.

De persconferentie leverde trouwens weinig nieuws op. De nieuwe voorraad mondkapjes wordt vanaf morgen weer aan huis afgeleverd, dus we kunnen weer boodschappen doen. Verder veel video met de vrienden en vooral vanuit huis werken.

Vrijdag 18 februari.

Uitgeslapen want geen vroege vergaderingen. Ik kijk uit naar morgen want dan hebben we de wekelijkse vriendenborrel. Die wordt steeds uitgebreider. Ieder van ons kookt een gang en die leveren we bij elkaar af en dan met elkaar eten en drinken en vooral zeiken over elkaars eten. “Beetje boers”, “iets teveel Ottolenghi” etc etc. Erg leuk en we worden steeds creatiever. Zelf nu in het derde jaar lock down blijven we met elkaar optrekken en dronken worden.

Het is weer een koude dag. De hemel is helderblauw na de afgelopen dagen sneeuw. De laatste jaren lijkt de lucht toch veel blauwer dan ik me kan herinneren in mijn leven. Ik zal het me wel verbeelden.

Zaterdag 19 februari.

De bezorging van de groothandel is net weg. Ik heb weer alles in huis. Eten en drinken. Ik ga zo buiten op hout koken want ik heb de gasflessen nog niet omgeruild. Ik mag pas volgende week. Het went, dat koken op hout. Het is wel koud maar daar kun je je op kleden. Alles krijgt een lekkere rooksmaak. Das ook het nadeel trouwens. Vanavond maak ik het tussengerecht. Lekkere risotto met truffel. Hoe we het land op afstand laten werken blijft een wonder. Ik heb gewoon verse truffel en een topwijn erbij. De ongemakken zijn klein.

Waar ik blij mee ben is dat mijn boekhandel er nog steeds is. De enige nog in het dorp. De rest is failliet gegaan. Veel winkels zijn sowieso verdwenen maar er zijn er ook veel bijgekomen. Online shops hebben nu een eigen afhaalplek in het dorp. Er zijn afhaalrestaurants die goed draaien en ook thuis bezorgen. We zijn met elkaar heel creatief geworden met elkaar. Maar sneu is het wel voor de rest. We hebben hier in het dorp een aantal anderhalvemetercafé’s gelukkig. In een ervan, ‘5 feet down’, kom ik af en toe met de mannen. Wel spaarzaam want voor ik het weet zijn mijn tokens op en dan moet ik weer maanden wachten.

Zondag 20 februari.

Op de BBQ croissants gebakken! En ze zijn weer gelukt. Krant lezen en dan ga ik de familie maar eens wakker maken. Weer een zondag als alle andere. Wandelen, genieten van de natuur want ook vandaag is het snerpend koud én heel helder. Even naar de Mariakapel om een kaarsje te branden voor de doden. Blijf ik doen. Vroeger deed ik dat in Kevelaer maar dat kan niet meer. Ik ben benieuwd wanneer Duitsland weer opengaat. Ik mis de zult.

Begraven in coronatijd

Tags

,

Afgelopen week heb ik een familielid begraven. De tijd ligt niet zo lang achter ons dat we dan met elkaar naar een begraafplaats gingen, stonden te wachten in een hal voor we naar binnen mochten en dan een uur aanwezig waren bij de afscheidsdienst. Daarna nog bijpraten in een zaaltje en dan weer naar huis.

Dat is nu toch een beetje anders. Er mochten maximaal 30 mensen aanwezig zijn en dit familielid had een grote familie. Dat betekende dat ik kon inloggen op een site om live mee te maken wat er gebeurde. En dat is best vreemd.

Om een aantal redenen.

Allereerst ben je na een week of zeven online vergaderen en meeten gewend dat je camera aanstaat en dat je gezien en gehoord wordt. Dat is nu helemaal niet het geval terwijl je echt heel keurig stil blijft zitten met de camera aan, maar je microfoon uit. Hoe we in korte tijd nieuwe gewoonten ontwikkelen.

Daarnaast mis je de mensen om je heen. Een lachje, een knikje, even je hand op een schouder leggen ter troost. Het is er allemaal niet. Gewoon vanachter mijn tafel waar ik de ochtend werkte en na de dienst weer verder zou gaan keek ik toe. Vanuit allerlei hoeken ook nog eens. Waar je in aanwezigheid aan je stoel bent gekluisterd, krijg je nu allerlei camerastandpunten. Je ziet echt alles.

Je mist ook de sfeer van een aula. Niet dat dat mijn favoriete plek is, maar bij een begrafenis maant een aula je tot nederigheid en aandacht. Al in de auto naar de begraafplaats toe verandert je gesteldheid, je gemoed. De wandeling naar de aula maken je nog bewuster van de eindigheid van het leven. Je bent er niet voor jezelf en je wilt zo ingetogen als mogelijk afscheid nemen.

En als laatste de muziek en de toespraken: in een aula zit je daar als het ware middenin en achter je laptop niet.

En toch was het een mooie dienst zo van een afstand. De muziek klopte volkomen. Er werden herinneringen opgehaald die ik volkomen herkende. De overledene kwam helemaal aan bod. Mooi, open en eerlijk. Het was niet altijd een makkelijk mens en dat kwam naar voren. De ruwe bolster, blanke pit. De grote mond en talloze onafgemaakte projecten. Eerlijk en met liefde gebracht. Met humor ook.

Na een klein uur was het voorbij. De mensen verlieten de aula langs de kist. Sommigen legden hun hand erop, anderen liepen snel door. Ieder op de eigen manier.

En wat er toen gebeurde..

En wat er toen gebeurde heb ik met dubbele gevoelens gadegeslagen. Bij een normale uitvaart verlaat je de zaal en mogen de meest intieme relaties nog even achterblijven om in stilte afscheid te nemen. Dat werd eveneens integraal uitgezonden. En dat was best gek. Ik zag mijn familie opstaan en elkaar bij de kist troosten. Even de bloemen verleggen. Met elkaar praten. Armen om elkaar heen geslagen. Heel de intimiteit van dat moment werd openbaar. Ik vond dat aan de ene kant voyeurisme dat niet kies was.

En toch stopte ik niet met kijken.

Want er was ook een opmerkelijk positieve kant aan: ik voelde op dat moment hoezeer je via videobegraven bij de levenden betrokken bent. Veel meer dan normaal. Normaal ben je er voor de dode om afscheid te nemen met respect. Maar omdat er zoveel techniek zit tussen wat er in een aula gebeurt en jou als kijker ontbreekt die intimiteit volkomen. Wat je wel meekrijgt zijn alle beelden van de aanwezigen. Volop. Alles en iedereen zie je en daarmee ben je meer met hen bezig dan in een normale setting.

En die laatste minuten zag ik de mensen van wie ik hou in al hun kwetsbaarheid bij de kist staan, bloemen verleggend, de kist aanrakend, strelend, elkaar aanrakend. Dat was ontroerend mooi. Iets wat je verder niet ziet in normale omstandigheden.

Overigens ben ik van mening dat de uitzending moet stoppen als iedereen de aula verlaat. Dat is toch de betere optie.

Het zijn rare tijden.

Zaterdag in Carcès, laatste deel.

Tags

, ,

(Droomblogs in een coronacrisis)

Die ene man dus, daar moest ik nog even langs.

De straat verder omhoog en daar zit hij, de truffelman. Jaren geleden had hij een winkel in visuitrusting en wapens. Toen kwam de crisis en hadden mensen al een hengel of een gun. Hij verkocht niets meer. Van zijn spaargeld heeft hij toen land en een hond gekocht en zoals gehoopt had hij beet: truffels! En nu verkoopt hij door de hele Var op markten truffels. Goede geurige truffels voor een mooie prijs.

Ik schud zijn linkerhand, zijn rechter is niet helemaal ok, en koop drie truffels voor €15. Geen geld. Hup, in de tas met het brood en op naar het terras van Bar “Le Central”.

Ik wandel de straat weer af naar beneden. In een half uur is het al drukker geworden. Het geroezemoes is toegenomen, mensen staan met elkaar te praten. De pastoor is er ook weer. Ik groet hem. Onder zijn arm een fles wijn, gekregen van een lokale wijnboer. Zo scharrelt hij zijn maaltijd bij elkaar. Wat brood, een stuk kaas, een lekker worst…oh wacht, worst! Ik zou bijna worst vergeten. Drie worsten voor €10, het is weer geen geld. Ik koop er drie: een sanglier, een au romarin en een noix. Hop in mijn tas.

Het terras is nog redelijk leeg om deze tijd, het is vroeg. Mijn vriend de artiest zit er al achter een glas witte wijn. Ik ken zijn naam niet, we praten al jaren wat met elkaar. Hij ziet eruit als de Franse broer van Steven Seagal. Ruwe bolster, blanke pit. Hij zegt dat hij artiest is maar hij is erg vaag waarin dan. Maakt niet uit. Aardige vent die hier altijd zit. We wisselen wat woorden uit.

Comme d’habitude wordt mij koffie met een glas water gebracht. Ik zit en kijk mensen, zoals iedereen in Frankrijk op een terras doet. En als ik uitgekeken ben leg ik geld op tafel, sta op en loop naar de kerk. Iedere dag steek ik hier een of meerdere kaarsjes aan. Voor de levenden en voor de doden. Het schijnt ook te werken als je er niet in gelooft.

Het schijnt ook te werken als je er niet in gelooft.

Zoals altijd komt er een grote rust over me als ik de treden afga de kerk in. De kerk is niet groot maar voor een dorp als dit zeker voldoende. Er klinkt altijd muziek uit de luidsprekers, zacht en bijna onhoorbaar. Boven de ingang is een soort caveau op hoogte gebouwd met daarin het orgel. Sinds de nieuwe pastoor er is, zijn er lichteffecten aangebracht. Langzaam gaat het van rood naar blauw, paars, geel, groen en weer terug. Een beetje kermis maar wel leuk. Ik kijk naar boven en het is paars.

Ik koop een kaars en loop met knerpende zolen door de kerk naar de Mariakapel. Ik steek de kaars aan en zet die neer bij Maria. De eerste in deze week. Morgen brandt de kaars nog net als ik er een nieuwe naast zet. Ik blijf even stil staan, draai me om en loop weer de zon in.

De straat verder uit, langs de kippenboer en weer rechts op weg naar huis. De tas met brood en worst en truffels gevuld. Ik weet dat als ik eenmaal thuis ben ik nog naar de Hypermarché ga om de rest te komen voor de komende week. Drank, chips, koffie, thee, van alles en nog wat en een fles whisky. Dan is het leven klaar om mee te beginnen.

Intussen wandel ik weer langs Les Chineurs, groet Seb voor de tweede keer en moet ik nog anderhalve kilometer. Onder de platanen door, de brug over en de Chemin Caramy op naar boven. Het eerste stuk, langs de zusters, is heel relaxed. Vlak bij ons huis gaat de weg omhoog met een procent of 25 schat ik. Ik voel mijn benen na een nacht in de auto. Heerlijk. De bocht door en het hek bij het zwembad door. Het zweet op de rug.

De familie slaapt nog. Het is diepe stilte in huis. Ik doe alle luiken heel zachtjes open, het licht stroomt het huis in, pak koffie en een kontje van de baguette. Ik loop naar buiten het overdekte terras op. Het is koeler dan ik dacht. Ik ruik de Var in de ochtend. Ik hoor de vogels en verder helemaal niets.

Zo nog naar de supermarkt, het kippetje halen op de markt en we zijn klaar voor een week hier in de Var.

Ik zit alleen op het terras en ben intens gelukkig.

Thuiswerken in een klooster

Tags

, , ,

Pietro Perugino cat48l.jpg

Huh, thuiswerken in een klooster? Wie van ons woont er nou in een klooster? Ik niet in ieder geval. En toch werk ik thuis alsof ik in een klooster werk. Alsof ik een Benedictijner monnik ben, maar dan met een gezin en een eigen huis. Daar kun je dus wel het een en ander op afdingen. Maar wat bedoel ik nu eigenlijk? En hoezo werk ik thuis als in een klooster?

Laat ik beginnen met wat achtergrond hierbij.

Sinds Benedictus zijn Regel schreef zijn kloosters daarop gebaseerd. Het is de perfecte handleiding voor time management, leidinggeven en ritmiek in het bestaan. Als je de regel volgt, en ik tracht dat al geruime tijd zo goed mogelijk te doen, dan merk je dat je minder stress hebt, dat je meer grip krijgt op je dagelijkse leven en dat je meer tijd hebt om over dingen na te denken. Als manager is het voor mij ook een richtlijn. Het hoofdstuk over het zijn van een goede Abt helpt enorm.

Wat betekent dat voor alle mensen die thuis werken? Zoals ikzelf. Nu, voor de vierde week, zit ik aan tafel. Ik begin iedere werkdag met een gezamenlijke call en als ik niet oppas dan ga ik van call naar call tot een uur of 17.30, 18.00 uur. Videocalls en gewone per telefoon. Soms als ik zit te videoconferencen word ik weer gebeld. En zo maar door.

Wat zou Benedictus hiervan zeggen? Welke tips zou hij geven.

Allereerst een ijzeren ritme in de dag inbouwen. Begin de dag op hetzelfde tijdstip, sta op hetzelfde tijdstip op en doe daarna de dingen die je altijd doet om de dag aan te vangen. Voor mij is dat douchen, scheren, aankleden en ontbijten. Drie espresso’s in één beker, twee sneden brood. De krant erbij en lezen wat er gebeurd is.

Voor een ander is dat wakker worden en sporten, of youtube kijken of wat dan ook. Het maakt niet uit. De kern is steeds: doe alles met aandacht! Opstaan en douchen en scheren: met aandacht. Wees in het moment. Ik ben er inmiddels in getraind en het werkt heel goed. Je bewust zijn van weer een mooie dag! Wakker worden! Je bent er nog steeds en je kunt van het leven genieten! De vogels zingen, de zon schijnt, het huis is nog stil.

Daarna zorg ik dat de tafel waaraan ik werk een echt werkdeel heeft. Er mag van alles op liggen maar waar mijn laptops staan is opgeruimd, leeg. Voor negen uur heb ik in principe geen afspraken. Daarna verloopt alles zo veel mogelijk in vaste blokken met steeds een kwartier ertussen. Alleen op die manier kun je iets goed afsluiten en je voorbereiden op de nieuwe afspraak. Bij een nieuwe afspraak denk ik na over het onderwerp, wat ik ervan vind, welke vragen ik heb en welk besluit er moet worden genomen.

Benedictus spreekt over werken in de tuin. Als dan de bel gaat voor het gebed, zo zegt hij, maak je het gereedschap schoon en je legt het netjes weg. Daarna ga je in stilte naar de kapel en tijdens de wandeling laat je de tuin achter je en bereid je je voor op het gebed. Alleen dan kun je vol aandacht bidden, bij God zijn.

Je hoeft niet gelovig te zijn om dit na te volgen. Het werkt perfect.

Je dag kun je dus goed indelen, net als je week. Zorg voor gaten in je agenda omdat er altijd iets tussendoor komt. Maar ook opdat je tijd voor jezelf hebt. Ik heb bijvoorbeeld een legpuzzel onder handbereik. Heerlijk hersenloos stukjes zoeken en passen. Plan je lunch, een wandelingetje. Een half uur ‘wheeler dealers’ op tv. Muziek. Maakt niet uit. Plan!

Alles mag.

En als het dan einde van de middag is dan kijk ik nog een keer naar mijn mail, check ik of ik alles heb gedaan en kijk naar mijn agenda voor de volgende dag. Daarmee weet ik wat gaat komen en ik kan inschatten hoe belangrijk alle items zijn. Ik check ook nog een keer of alle actiepunten bij de juiste mensen terecht zijn gekomen. Ik sta even stil bij wat die dag is bereikt, besproken of gewoon weggewerkt. Geen losse eindjes. Geen dingen die me vannacht komen bezoeken in de vorm van vervelende stemmetjes.

Ik weet dan al wat ik ga koken, dat bedenk ik ’s morgens, en ook dat doe ik met dezelfde aandacht. De mise en place klaarmaken, een glaasje wijn inschenken, relaxen en beginnen. Daarna lekker eten met het gezin en in de herrie die wij met elkaar maken de dag bespreken. Iedereen door elkaar heen, snel, gevat, reagerend en met heel veel lol.

Op vrijdagmiddag rond 17.00 uur pak ik mijn laptops in, haal alle stekkers eruit en doe alles in mijn tas die ik vervolgens in de kast zet. Ritueel stoppen met werken. Vooral nu in quarantaine, merk ik hoe belangrijk het is dat je heel bewust weekeinde kunt vieren. Dat de dagen niet gedachteloos in elkaar overlopen.

Op zater- en zondag hou ik op vaste tijden mijn mail en berichten in de gaten. Niet de hele dag maar om de paar uur.

De kern is dat je alles met aandacht doet. Dat je je niet alleen van alles voorneemt te doen maar ook werkelijk begint me de dingen. Dat je de dingen niet rommelig doet. Dat je dingen begint én afmaakt. Het zijn stappen die je zet: wat je in feite doet is goed luisteren. Je luistert letterlijk goed naar je collega’s, maar ook naar de urgentie van zaken, de inhoud. Het eerste woord van de regel is niet voor niets ‘luister’!

’s Avonds doe ik al jaren iets wat ik ook van Benedictus heb geleerd: heilig lezen. Een uur in stilte lezen. In het begin lees ik op hoge snelheid, zoals ik altijd doe. Maar ergens na zo’n drie kwartier lees ik steeds langzamer en laat ieder woord tot me doordringen. Ik vertraag in mijn lezen en kijk wat de woorden die ik lees betekenen voor mij en mijn leven. Ik probeer naar binnen te keren.

Op dat punt gekomen leg ik mijn boek weg en ga ik slapen. Heel zachtjes op de achtergrond ‘Met het oog op morgen’, en langzaam wegdommelen.

Ik woon dus niet in een klooster, maar gebruik een oude regel van 1500 jaar geleden als leidraad voor mijn alledaagse wereldlijke leven. Het helpt me, het geeft rust, het geeft aandacht en focus en het houdt me evenwichtig. Maar niets hoeft. Denk maar aan de woorden van Benedictus in hoofdstuk 18 waarin hij heel streng de weekvolgorde van de psalmen voorschrijft.

‘Als deze volgorde je niet bevalt, doe dan maar een andere. Prima! Zo lang je er maar voor zorgt dat ze allemaal aan de orde komen.’

Het heet een regel, maar je bent er zelf bij. Je eigen regel dus.

Zaterdag in Carcès, deel 2

Tags

,

(Droomblogs in een coronacrisis. Vervolg op deel 1)

Rechts op de Avenue Ferrandin is een aantal huizen. In één ervan woont de pastoor. Ik hoop hem nog even tegen te komen want het is een apart geval, onze pastoor. Jaren geleden was de kerk zo goed al leeg en toen kwam hij in het dorp. Abbé Augustin Gempp heet hij, een nog jonge vent. Groot en breed en altijd in soutane. En getooid met een zonnebril. Oranje of roze. Hij is zeer zichtbaar in het dorp. Hij is er altijd, wandelend, pratend met iedereen. Sinds hij er is zit de kerk weer redelijk vol. Best bijzonder wat een mens kan doen met en voor anderen.

Ik loop verder en zie rechts de plataan met het ingegroeide bord van een oliemerk, Kervoline. Stamt uit de jaren 30 en is dus in 90 jaar voor een groot deel opgeslokt door de plataan. Links is de weg het dorp weer uit, richting Le Val en Brignoles. Rustig nog. Hoe anders is deze weg als er ’s zomers kermis is! Dan loopt iedereen uit om ’s avonds eendjes uit het water te halen of te schieten op ballonnen.

De markt komt dichterbij. Het is nog helemaal niet druk. Langs de weg is een beperkt aantal auto’s illegaal geparkeerd. Dat wordt de komende uren anders. De markt van Carcès heeft een regionale functie. Veel lokaal bezoek en niet al te veel toeristen komen hier. De sfeer is altijd top en heel erg Frans. Hier kom ik graag vroeg mijn bed voor uit.

Op de hoek is een opvallende Française bezig met het opbouwen van haar stand met goedkope bloesjes en broeken. Zij staat hier net zo lang als ik hier kom, en ik begin mijn wandeling over de markt altijd hier. Naast de matrassenman. Verkoopt dat nou een beetje kun je denken. Het antwoord is ja, volgens hem. Een matras gaat niet eeuwig mee en hij gaat van markt naar markt. Verdient zo zijn geld.

Ik loop verder en ruik al een van de redenen om hier vroeg te komen: kip!

Ik weet niet eens of ik de kip nou echt superlekker vind maar daar gaat het niet om. Het gaat, om het maar eens modern te zeggen, om de beleving. Het hoekje om en daar sta ik in de rij. Er staan zo’n vijf mensen voor me en die bestellen van alles. Op dit moment is er namelijk nog niets klaar. En dus bestel je iets voor later. Ik ben aan de beurt en bestel een poulet fermier, een grote boerderijkip. Erbij kun je een barquette met gebakken piepers bestellen. Superlekker maar ik weet ook dat je je aderen voelt dichtslibben als je die eet. Die liggen namelijk de hele ochtend onderaan het grote spit te sudderen in al dat kippevet. Wat ik zeg: erg lekker maar moddervet. Ze verkopen nog veel meer. Hammetjes, poulet au riz, paella en veel soorten worst.

Rond 11.30 kan ik mijn kipje komen afhalen. Dat is mooi want dan heb ik een reden om terug te moeten naar de markt.

Die kip ga ik gebruiken om lekker te lunchen. De avondmaaltijd weet ik al: pizza bij Seb. Lunch met kip is heerlijk maar wat verse groenten erbij maakt het een tikkie gezonder. Dus loop ik door.

Het gekke is dat ik langs allerlei groentekraampjes loop zonder iets te kopen. Op weg naar die ene aan het einde van de markt. Ik denk dat iedereen dit zo doet. Ook staan er twee kippeboeren, maar ik koop altijd kip bij de ene en niet bij de andere. En geloof me, de kip is net zo lekker. In de loop der jaren heb ik zo mijn gewoontes. En dus loop ik de groenteboeren voorbij.

Links is het terras van Bar Le Central, daar kom ik zometeen wel terug. Net als de kerk achter de kraam met allerlei kruiden, pesto’s en olijven. Ook daar kom ik nog terug.

De straat loopt hier omhoog. Vlaggetjes hangen boven de straat, de zon schijnt, er is geroezemoes en gebabbel en ik ben gelukkig. Rechts in de Rue Maréchal Foch zit de bakker. De rij staat buiten, veelal oude dorpsbewoners. Ik loop naar binnen en de bakkersvrouw reageert verheugd: daar ben ik weer! Hoe lang ik blijf en of de baguette en de restau goed doorbakken moeten zijn of juist een beetje blond. Voor de jongste zoon neem ik een morceau pizzá fromage mee.

Het leven kan zo simpel zijn. Even je gezicht laten zien bij de kippenboer, de bakker, herkend worden, even kletsen en ik kan weer aarden. Een mens heeft niet veel nodig om gelukkig te zijn. Kleine dingetjes, gekoesterde routine. Heerlijk. Zo kom ik ook de bakker uit.

Nu nog tomaten en komkommer halen voor de lunch. In deze straat was tot voor enige jaren een groenteboer, een goede met goede producten. De man was inmiddels wat ouder aan het worden, de handel liep terug doordat ook de dorpsgenoten naar de Hypermarché gingen en hij had geen opvolger. Hij stopte en een tijd zaten we zonder. Maar zoals altijd komen er dan nieuwe initiatieven. Marie kwam. Met de beste groenten uit de buurt zo zei zij. En Marie heeft nu een levendige handel, tegenover de voormalige groenteboer.

Ik koop de lekkerste tomaten die je kunt hebben: Coeur de Boeuf. Hoewel je deze ook in Nederland kunt kopen zal de smaak niet eens in de buurt komen van deze Franse. Deze zijn zoet als pruimen en met een beetje peper en zout op een stuk brood is het een hemels gerecht.

Ik reken af en moet nog even één man een hand geven voor ik terugloop richting kerk en café.

Nog één man.

Word vervolgd.

Zaterdag in Carcès, deel 1

Tags

,

(Droomblogs in een coronacrisis).

Carcès à visiter (83) | Provence 7

Vannacht aangekomen na een goede rit uit Nederland. Koffers uitgepakt en om drie uur lagen we in bed. Het is nu even na achten en heel zachtjes stap ik uit bed. Ik ruik door de openstaande ramen achter de blauwe luiken Frankrijk.

Toen we vannacht bij Brignoles de snelweg afreden was het aardedonker. De vijftien kilometer naar ons huis deden we, zoals altijd, alle raampjes open. De geuren van de Var, het kruidige, het aardse in de lauwwarme lucht was weer heerlijk. Muziek: Destination Ailleurs van Yannick Noah bijvoorbeeld. Of Zaz. Of om mijn oude ziel te pleasen: Joe Dassin met L’Équipe a Jojo. Franse muziek, ’s nachts rijden.

Bochtje links het dorp in, rechts de Hypermarché, langs het bejaardenhuis, rechts beetje door onder de platanen, bruggetje over, en dan nog 737 meter naar Le Sommet, ons huis. Huisnummer 737.

Gelukkiger dan dat, wordt het zo’n nacht niet.

Maar goed, het is nu even na achten en ik sta onder de douche. En natuurlijk heb ik vannacht niet de knop omgezet dus ik moet koud douchen. Ben ik ook gelijk wakker. Na het douchen en scheren even de kelder in om de knop wel om te zetten. Ik kleed me aan, kijk even bij de zonen die in diepe slaap zijn, pak een tas en ga de deur uit.

De hemel is blauw. Het wordt een mooie dag. En alweer die geuren. Ik loop het hek uit en ik ga de berg af. Het is bijna twee kilometer naar het dorp en de wandeling naar beneden is altijd een makkie. Terug doe ik in Duits marstempo. Maar dat duurt nog een uur.

Eerst langs de buurman met de honderd honden. Nee, het zijn er geen honderd maar wel veel. Eerst zaten ze aan onze kant van zijn huis. Als ze blaften kwam hij naar buiten, hard schreeuwend. Pute, merde, con en iets dat op Mímí lijkt. Weet ik veel. Mijn vriend, de kunstenaar waarover later meer, zei al: hij werkt in de wijnbouw, ruige schreeuwerd maar verder ok. We zijn toch maar gaan praten en nu zitten zijn honden achter het huis en is het stil.

Het steilste stuk heb ik achter de rug als ik linksaf ga langs het huis van de dokter, Keutchayan. Ik heb me daar ooit gemeld met een ontsteking. Hij vroeg een en ander, keek en schreef een recept uit. Nu was ik die kleine receptenbriefjes uit Nederland gewend maar van hem kreeg ik twee A4’tjes! En bij de pharmacie kreeg ik alles netjes mee, tot aan hormooncrème toe.

Maar daar had ik het niet over. Ik loop dus langs het huis van de dokter. Een groot huis met een keurig aangelegde tuin en en voorname hond. Een aardig beest dat altijd verbaasd kijkt en nooit blaft.

Hoe anders is dat bij de volgende voisins: twee luid blaffende grote honden die geagiteerd achter het hek rondspringen. Zonder hek zaten ze al lang bovenop me. Ik ben er ooit gestopt en toen heb ik de beesten rustig toegesproken. Dat het zinloos was al dat geblaf en dat ik er niet van onder de indruk raakte. Een tweetal dagen zijn ze stil gebleven. En toen begon het weer.

Ik loop door.

Interessant is het dat ik op een deel van de route naar Santiago de Compostella loop. Dat zag ik eens bij toeval op een kaartje van de omgeving. Dat vind ik erg stoer. Ik loop dus al 18 jaar een kilometer van de route. Niet dagelijks maar toch zo’n 50 dagen per jaar. Heen en weer. Dat is toch 1800 kilometer. Een mooi resultaat.

Onderaan de berg wonen twee zussen. Oudere dames met wit haar. Beiden een eigen huis met een stuk grind ertussen. Ze doen heel veel samen. De oudste van de twee heeft een tijd in Engeland gewoond en oogt ook meer Brits dan Frans. We groeten elkaar, zoals altijd.

Ik kan nu kiezen. Ik neem de korte route langs de school, brug over de river en dan rechtsaf óf ik neem de langere, linksaf langs de camping, onder de platanen door. Ik ga links. De Caramy stroomt heel relaxed op deze mooie ochtend en als ik de Avenue Ferrandin oploop zie ik de platanen. Groot, scheefgegroeid, veel schaduw en koelte leverend. Prachtig zo zonder verkeer.

De bocht door langs Le Hameau de Carcès, een van de vele wijnproducenten in het dorp en de streek. Aan mijn linkerkant het hek van de lokale pizzaman, Les Chineurs. Patou en Seb zijn inmiddels semivrienden geworden. Grote kussen, goed plekkie om te eten en altijd, altijd vriendelijk. Seb had jaren geleden keelkanker. Behandeld, bestraald en weer aan het werk. Ik zie dat hij al in het restaurant is en ik loop even naar binnen. Hij is aangekomen, wat een goed teken is. Hij oogt ook weer sterk. Omhelzing, goed dat ik er weer ben en of ik vanavond kom eten. Lijkt me een goed plan en dus reserveer ik.

In de verte, aan het eind van Avenue Ferrandin zie ik de reden van deze vroege zaterdagse wandeling. Mijn persoonlijke plezier om in mijn eentje, met het geruis van twaalf uur rijden nog in mijn oren en de naweeën van kramp in mijn linkerkuit, vroeg op de staan en te wandelen. Mijn Frankrijk, mijn miniatuurgenoegen zonder weerga.

De zaterdagmarkt.

(word vervolgd)

Het eeuwige Frankrijk verandert (*)

Tags

, , ,

Afbeeldingsresultaat voor la france profonde carces

Enige jaren geleden verscheen een biografie van De Gaulle (van Henk Wesseling) met de mooie titel ‘De man die nee zei’. Ik kocht het boek direct en las het in één ruk uit. Dit ging niet alleen over De Gaulle maar over alle Fransen. Nee zeggen tegen heel veel.

Frankrijk is een land van heel veel tradities. Van heel grote tot heel kleine. Quatorze Juillet is altijd een groot feest en zal dat ook blijven. Niemand die het in zijn hoofd haalt iets te veranderen. Men koestert de tradities en heeft een afkeer van veranderingen. Zeker als die worden gevraagd vanuit Parijs, zoals nu door Macron. Frankrijk is zichzelf.

En dus kan ik nog steeds oefenen in zen in de supermarkt als er weer iemand betaalt met een cheque en niet met een carte bleu. Ik kan een petit blanc op het terras drinken zo om half elf in de ochtend maar als ik voor drie uur een pastis bestel is dat vloeken in de kerk. De post die nog steeds iedere dag wordt bezorgd, steak frites kan ik overal eten en zo kan ik nog heel lang doorgaan. En als er al vernieuwing dreigt gaat men staken omdat verandering altijd wordt gezien als verslechtering. En zo blijft La France Profonde geloven in een wereld die er niet meer is. 

Maar niet iedereen gelooft meer in het onveranderlijke. Jongeren trekken weg uit de dorpen en er zijn tegengeluiden en tegenbewegingen. En dan niet alleen geluiden in Parijs of Lyon. 

Ook in het klein is de oude manier van doen niet meer houdbaar. Het moet anders en dat gebeurt ook.

Neem het dorp Cotignac in de Var, niet ver van ons vandaan. Dat dorp was een jaar of vijftien geleden op sterven na dood. Het had alles: een mooie cours, schilderachtig onder de platanen en een relaxte sfeer. Toeristen kwamen er wel, maar gingen ook weer weg omdat er niets geburde. Bij de cafés aan het einde van de cours hingen jongeren die zich verveelden. Werk was schaars en zelfs de restaurants werden steeds minder ok.

Jonge mensen hebben daar verandering in gebracht. Op zeker moment gingen restaurants over in andere handen, er kwamen meer terrassen en die waren goed onderhouden. Het café waar je werd uitgescholden sloot en ook daar kwam iets anders. Er kwam een hippe wijnbar waar je buiten aan barretjes gezeten een soort tapas kon eten. Een goede wijn vestigde zich in het dorp met een heel mooie winkel erbij. 

Boven die wijnhandel werd een ‘museum’ geopend, niet groot wel mooi. In de straat naar de Mairie kwamen ateliers. Er vestigde zich een nieuwe artisanale bakker waar nu de rijen voor de deur staan. Er kwam een hotel met een mooi terras. Jonge mensen die initiatief namen om van dat mooie dorp iets mooiers te maken. Zeker, er was scepsis maar die is weg. De trots is terug.

Het ging niet vanzelf en er moest veel veranderen. Vooral mentaal. Toeristen zijn geen plaag maar een bron voor groei. Werken in de horeca is top als het druk is. Wijn verkoopt niet zichzelf maar moet je packagen in een concept. Gruwelijke woorden voor de man van middelbare leeftijd die na een borrel in zijn Lada Niva stapt en ‘bof’ roept. 

De oplettende Frankrijkganger ziet het land veranderen. Dat moet en dat is niet erg. Het zorgt ervoor dat jongeren hun idealen na kunnen jagen en Frankrijk interessant blijft. Juist de combinatie van traditie en veranderen maakt het spannend en mooi.

(*) Ook gepubliceerd in Côte & Provence, voorjaar 2020, p.35.

Le Boulanger

Tags

, ,

Op de foto staat, met kind op de arm, een van de twee boulangers van ons dorp in de Var. Zijn vrouw staat achter hem. Een hardwerkende man die iedere ochtend vroeg op is. De hele dag zorgt hij voor verse baguettes en andere lekkernijen. Zijn Tarte Tropézienne is onbehoorlijk lekker. Vooral met goede champagne erbij.

Iedere ochtend loop ik samen met Sam, mijn jongste zoon, zo’n anderhalve kilometer naar het dorp. Eerst de bakker, dan bij Bar Le Central koffie met een glas water voor mij en een glas Cacolac voor hem en als laatste een kaarsje branden in de Mariakapel van de kerk. Wij zijn gewoontedieren.

Althans, ik. Soms laat ik hem liggen als ik merk dat er geen behoefte is aan wandelen en Cacolac.

Dit doe ik dit jaar voor het achttiende jaar. In die jaren is de bakkerij van verschillende mensen geweest, maar deze zit er alweer lang.

Je zult zeggen: ‘ja en? Wat is er zo bijzonder hieraan?’ Dat zal ik vertellen

De boulanger is ook de plek waar men elkaar treft en een praatje maakt. Zo is er een mevrouw die altijd een taartje koopt voor zichzelf. Ze is alleen, ze woont in het dorp en ze houdt van taartjes. Geduldig wacht iedereen tot ze al haar munten bij elkaar heeft gevonden om te betalen. En er is een jonge vent die iedere dag een ficelle koopt. Een ander altijd ‘un restau’. Als de klanten binnenkomen ligt het als het ware al voor je klaar.

Zo kwam Charles Aznavour ook altijd bij de bakker. Op een oude sportfiets kwam hij aanrijden, heel langzaam, zette de fiets tegen de muur en kwam binnen om een baguette bronzé te kopen. En nee, het was niet Aznavour maar het had zijn broer kunnen zijn. Klein, zelfde mond, zachte stem en ogen vol leven. Met zijn brood stapte hij weer op de fiets en reed langzaam, licht slingerend weer weg. Naar huis. De man was oud en alleen, zo zei hij zelf.

Ik zag hem vaak in het dorp.

Tot vorige zomer. Iedereen kwam ik weer tegen. De pastoor, de truffelman, de artiest (waarvan ik overigens nooit iets artistieks heb meegemaakt) enzovoort. Maar niet Charles Aznavour.

Bij de bakker vroeg ik naar hem. Hij was eerder in het jaar overleden en het dorp was uitgelopen naar de kerk. Men miste hem want het was een vriendelijk mens. Maar wel oud.

En toen kwam de pointe. De ouden gaan dood en de jongeren verdwijnen uit het dorp. Dat was de verzuchtende conclusie. En zo is het ook. Charles staat model voor een ouder wordende bevolking van een klein dorp in de Var, in Frankrijk. De ouderen komen elkaar tegen bij de bakker en groeten elkaar. De jongeren vertrekken en masse naar Marseille, naar Aix, naar Lyon. De jongeren willen een diploma halen bij een goede school en zien een toekomst voor zich maar dan niet in het dorp. En langzaam dreigen de dorpen leeg te lopen.

De boulanger overigens was hoopvol. De jongeren komen op een dag terug. Dat moet wel. Want waar kun je brood vinden van deze kwaliteit, vroeg hij. Toch zeker niet in de stad. Dat is fabrieksbrood. Een schande.

Inmiddels ben ik ook 18 jaar ouder en moet ik toegeven dat het lekkerste brood toch gewoon te vinden is in de Rue Maréchal Foch.

De hel

Afbeeldingsresultaat voor foto's auschwitz

Het is alweer jaren geleden dat ik in Auschwitz was. Een hotel in Krakow, een geweldige stad. ’s Avonds wat eten op het grote plein, wat rondlopen en genieten van de stad en de relaxte sfeer. De volgende dag vroeg op en in de auto.

Het was een uurtje rijden meen ik me te herinneren en we kwamen aan in het stadje Oświęcim. Niet echt kleurrijk en we waren er ook zo doorheen. Het kamp konden we niet vinden en ik besloot aan iemand te vragen waar het was. ‘Dat is er niet meer’, was het antwoord. ‘Er is nu wel een museum, misschien bedoelt u dat?’ Terechtgewezen en de weg gewezen gingen we verder.

En zo liep ik voor het eerst van mijn leven de poort met het opschrift door, Auschwitz in. Het zag er keurig uit. Mooie gebouwen met een trapje ervoor. Aangeharkt. Als je niet wist wat de geschiedenis was zou je het zo een twee drie ook niet zien. We werden ingedeeld in een groepje en zetten een koptelefoon op. En daar gingen we. Stapje voor stapje de hel in.

Stapje voor stapje de hel in.

Ik kan me niet meer herinneren in welke volgorde en op welk moment ik alles zag maar de verschrikkingen vlogen me aan. Het gebouw met alle foto’s, de ruimten met haar, brillen, prothesen, koffers (waarvan sommige met ‘Kind’ erop geschreven en één met de familienaam ‘Fam. Komkommer’) eindeloos was het. Uiteindelijk kwam ik in een ruimte die geheel gewijd was aan de aankomst van de Hongaarse Joden in 1944. Veel foto’s, heel veel foto’s. Mannen, vrouwen, kinderen. Je weet wat hun lot zou zijn.

En opeens hangt er een foto van mijn zoon, Samuel Tibor. Hij kijkt me aan vanuit een ander heelal met zijn grote bruine ogen. Zijn brede deels Hongaarse hoofd met grote donkere nieuwsgierige ogen. Op dat moment brak ik in stukken.

De rest van de dag heb ik in een waas door Auschwitz 1 en Birkenau gelopen. Uren aaneen. Ik heb op het perron gestaan, door de velden met de overblijfselen van de barakken gelopen. Ik heb stil mijn adem ingehouden in de gaskamer. De verbrandingsovens. Uur na uur.

Aan het einde van de dag in de auto terug naar Krakow. Hotel in, omgekleed en de stad in. Daar hebben we op een terras zwijgend heel veel bier gedronken en Poolse worst gegeten. En ik hou niet eens van bier.

En nu, jaren later, is het 75 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Er zijn volop boeken verschenen, films op tv, tijdschriften. Ik heb er geen van gelezen of gezien. Ik word zo onrustig van de herinneringen aan die dag. En ik word zo boos als ik nu mensen achteloos over de holocaust hoor praten of die zelfs ontkennen. Het is ook dichtbij.

Twee ontkwamen

Het is dichtbij omdat mijn vader in 1944 op transport zou gaan naar Buchenwald. Tag der Abreise was 18.4.44. Hij was één van tenminste 180 mannen die vanuit Kamp Amersfoort zouden vertrekken. Hij had al enige tijd in het kamp doorgebracht en het was blijkbaar tijd om te gaan. Hij was nummer 177, na 176 Koopman, Arnold en voor 178 Kosterman, L. Daags voor het transport heeft de toenmalige directeur van het Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht (SAZU) een verzoek tot overplaatsing naar het SAZU ingediend bij Lagerkommandant Berg. De directeur kende mijn vader en wilde hem redden.

Zo gebeurde ook. Besloten werd dat mijn vader niet op transport zou gaan en hij werd eind mei 1944 ‘entlassen’. De naam van mijn vader is met een rood potlood doorgehaald. Op dezelfde lijst staat nog een naam rood doorgehaald, 164, Ketelaar, Reinder. Die ontkwam dus ook. Wat er van de anderen is geworden, ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik dit schrijf doordat de naam van mijn vader met een rood potlood is doorgestreept.

Mijn jeugd in stilte over de oorlog, de foto van een jongen die lijkt op mijn jongste zoon, een doorgestreepte naam, een dag in Auschwitz, herinneringen aan mijn vader: ik leef ermee en het vormt mijn oordeel over de huidige tijd en welke ressentimenten er zoal leven.

Daardoor ben ik extra kritisch op huidige rechtse praat. Op ophemelen van onze Germaanse Noordse cultuur, over het afgeven op anderen. Nationalisme dat altijd een voorbode is van vernietiging. Ik kan niet anders.

En als mensen zich afvragen wat zij gedaan zouden hebben in de oorlog, kun je altijd de vraag stellen ‘wat doe je nu?’. Ik ben dat verplicht aan mijn vader, me iedere dag afvragen ‘wat doe ik nu’.

Hij deed in ieder geval het juiste.